Slaapdronken van verdriet, moedeloos van liefde.
Niet alleen mijn dagelijks leven leek je te beheersen, maar zelfs tussen mijn lakens was je, wanneer je er niet was. Elke afwezigheid maakte je aanwezigheid groter en elk gemis maakte de realiteit ondraaglijker. Je achtervolgde me tot plekken waar ik dacht dat niemand controle kon hebben, maar blijkbaar zat je inception-diep in mijn hoofd.
Laatst was alles anders. Je kwam in meer dan een droom tot mij toen ik mijn ogen sloot om te zinken naar plaatsen waar geen echte tranen gelaten worden, noch oprecht gelachen wordt. Het was een visioen en wij waren verliefd. Zoals vroeger. Ik heb de goden gevraagd het een visioen te laten zijn, daar hij voor een droom te pijnlijk was. Te gefocust op hetgeen we niet meer waren en te bevestigend in van wat had kunnen zijn. Ik heb je vier mails getypt om ze vervolgens te verwijderen. Het was minder bevredigend dan wanneer men zojuist beschreven briefpapier zou hebben verfrommeld om een gooi te doen naar de prullenbak waardoor onbenutte liefde zich rondom vuilnis zou opstapelen. Dan had je nog iets tastbaars van uitingen die jouw werkelijkheid nooit zouden bereiken. Nu had ik niet eens concepten. Zelfs digitaal bestonden we niet.
Uitleggen wat ik na mijn hersenspinsels die ik nog steeds het liefst als visioen zie, weet, voelt alsof Tantalus zijn kwelling moet uitleggen aan mensen die geen pijn hebben gekend in hun leven. Ik denk niet dat dat soort mensen bestaan, maar toch. Wat nou als dromen en visioenen niet uit te leggen zijn, slechts voelbaar zijn wanneer met gesloten ogen gekeken wordt. Wanneer met een hart gevoeld wordt waarvan je denkt dat het niet meer klopt voor ons, er met oren geluisterd moet worden naar stiltes – de enige trilling waar wij ziek van werden.
Wat nou als jij niet meer deed alsof je druk was en durfde te zeggen dat je me wilde zien.
Wat nou als ik niet deed alsof mijn whatsapp kapot was en je unblockte om de liefste whatsapps te kunnen lezen zonder pijn te voelen.
Beeld je eens in hoe het zou zijn als we lachend door onze stad zouden lopen. De schoenmaker waar ik naar zwaaide, de makelaars die jij de hand schudt, de zakenmannen die ik met drie zoenen begroet om je met een glimlach voor te stellen.
Wat nou als we nooit zullen weten wat we hadden kunnen zijn?
XVIII
Ik wilde je iets vertellen, want weet je.. Het is. Nee. Nou ja. Laat maar.

